Innerlijke spraak

Innerlijke spraak

Iedereen doet het; ‘praten tegen jezelf’. Dit is innerlijke spraak en het speelt een belangrijke rol om jezelf bij emoties te uiten en deze te beheersen, je handelingen aan te sturen, bij het plannen van communicatie, fantasie en creativiteit, je mening te vormen, enzovoort. 
Vanaf een jaar of drie gebruiken kinderen privé-taal om hun handelingen te plannen en zichzelf te sturen. Iets later ontwikkelen ze ook innerlijke taal en een zelfbeeld, op basis van eigen waarnemingen en belevenissen en de verinnerlijkte taal van anderen.
Kinderen vanaf een jaar of acht gebruiken innerlijke taal om complexe executieve functies*, zoals werkgeheugen, cognitieve flexibiliteit en planning, te ondersteunen.  
Kinderen met een stoornis in de taalproductie hebben vaak een zwakke innerlijke spraak. 
Het is dan belangrijk om deze te stimuleren. Dit kan de logopedist bewerkstelligen door hardop de gevoelens en gedachten van het kind te verwoorden. Het kind voelt zich gesteund doordat de logopedist woorden geeft aan het gevoel,  wat het kind zelf vaak onvoldoende kan door de spraak-taalproblematiek. Dit heeft als doel om de innerlijke spraak te verbeteren, zodat het kind uiteindelijk in staat is zelfstandig innerlijke spraak toe te passen.
Om de innerlijke taal van kinderen met een taalstoornis te stimuleren krijgen ouders het advies hun kinderen de tijd te geven om te reageren en gedachten en gevoelens expliciet te benoemen.

* Executieve functies
De cognitieve processen die ten grondslag liggen aan doelgericht handelen. 
Er zijn zes belangrijke cognitieve processen die het gedrag van de mens aansturen;
– Inhibitie: Het vermogen om impulsen te onderdrukken en/of prikkels uit de omgeving te negeren.
– Flexibiliteit: Het vermogen om gedrag/denken aan te passen bij veranderingen of wanneer oplossingen niet
   meer werken.
– Emotie regulatie: Het vermogen om de emotionele toestand te veranderen (vervangen, intensiteit
   aanpassen).
– Werkgeheugen: Het vermogen om informatie die niet meer aanwezig is vast te houden. 
– Gedragsevaluatie: Het vermogen om te reflecteren op het eigen gedrag en de eigen houding.
– Planning: Het vermogen om doelmatig te kunnen plannen.